Teksten

AFGELEGD

Arendskuiken

Je vleugels uitslaan heet dat dan
Nieuwe horizonten verkennen
Over weidse akkers, bossen, bergen, dalen
Over meren, zeeën en oceanen zweven
In mierdrukke steden het gewoel beleven
Je einders een stuk verleggen

Ik ben een eindje meegevlogen
Nieuwsgierig als ik was
Maar snel heb ik beseft
Dat loslaten beter was

Ben dan vertwijfeld terug gevlogen
Met een rimpeling in mijn hart
En jij dacht niets vermoedend
Dat het aan mijn oude vleugels lag

Vlieg, vlieg. Vlieg jezelf voorbij
Al tuimelend door het zwerk, geschonden vleugels horen erbij
Vlieg, vlieg. Vlieg jezelf voorbij
Aan 't einde van de vlucht is 't veel te laat voor spijt

Soms kom je nog eens kijken
Hoe het met mijn stramme vleugels gaat
Dan vertel je over ginder
En ben ik fier dat je er staat

Toen je nog mijn arendskuiken was
Moest ik je beschermen
En dat probeer ik nog altijd
Al weet ik niet meer goed tegen wat

Kleine Dingen

Ik wou mezelf in duizend kleine ik-jes delen
Om er toch maar overal bij te kunnen zijn
Niets moeten missen, wat een leven
Maar vooral, wat een rijk besteedde tijd

Uiteindelijk werden het heel wat minder deeltjes
En lukte het niet om overal bij te zijn
Er is meer dan wat je ooit kan beleven
In de beperktheid van een mensentijd

Van alles wat, maar van niets heel veel

Er is zoveel te zien, te doen, te voelen
De wereld draait maar het lijkt alsof ik gewoon blijf staan
En vergeet ik dingen die alles zo bijzonder maken,
Een boek, een lied, reizen vol oneindigheid

Komt de stilte van de avond
En iets zegt me dat het goed is
Deze kamer, de warmte die we delen
En aan je glimlach zie ik dat het goed is

Niet van alles wat, maar van weinig heel veel

 

 

 

 

Lotje

Een man bouwt een miniatuur spoorbaan
In de grootste kamer van zijn woonst
Jaren heeft hij daar werk aan
Gevangen in een droom

Het laatste stuk zal steeds ontbreken
Omdat hij het niet af-hebben kan
Geen confrontatie met de leegte
Die onvermijdelijk volgen zal

Lotje laat hem niet alleen
Zie je niet hij is zo bang
Bang van de leegte
Die hij alleen niet vullen kan

Het begon met een klein stationnetje
Op een plank een meter groot
Nu sporen doelloos lege wagonnetje
Tussen kille eenzaamheid en onvervulde droom

Ook de wereld, ooit zijn model
Lijkt steeds minder op wat het was
Dus naast de leegte ook vervreemding
Het jaagt een mens verder in zijn kast

Zo blijven dingen onvoltooid
Omdat het ding het echte doel niet was
Geen kat die er weet van krijgt
Het geraakte nooit echt af

De bouwer van de miniatuurspoorbaan
Gaat ooit een keertje dood
Na hem opkopers en sjacheraars
Die kieperen het meeste bij de vuilnishoop

 

Ooit Was Het Anders

Het spannende boek in je kast
Met de bladwijzer halverwege
Omdat je het begin steeds weer vergat
Ben je het driemaal opnieuw beginnen lezen

Al wat je je nog herinnert,
is dat je alles terug vergeet
Dat je kop vol zit met leegtes
Dat je hoe langer hoe minder weet

Telkens er iets staat te gebeuren
Sluipt er onbehaaglijke onrust door je lijf
Want de mensen die je hoort te kennen
Lijken wel schimmen uit een andere tijd

Ooit was het anders
Je scherpe blik, je vaste tred, je sterke handen
Ooit was het anders

En telkens je iets moet beslissen
Schuif je het zachtjes voor je uit
Teveel dingen die je niet meer beheerst
Een ander zoekt het hopelijk wel uit

Je leeft alleen nog van vertrouwen
Vertrouwen dat je in anderen stelt
Die je met volmachten en mandaten
Sleutels geeft tot een mogelijke hel ,

Op de immer woelige zee stond je steeds vol vertrouwen aan het roer
Maar sinds kort blaast de wind je altijd weer omver
Het moet vreselijk zijn om te moeten ervaren
Dat je het alleen, eigenlijk niet meer redt

Vriendschap

We lachen niet om de grap,
maar om het feit dat we er een vertellen gaan
We lachen wel om de pointes,
maar meer nog omdat we elkaar graag gade slaan

We hebben elkaars platen grijsgedraaid,
elkaar boeken uitgeleend
Gediscuteerd over ideale werelden
en daarna samen katers uitgezweet

Was je een vrouw geweest
‘k Had je misschien bemind,
Nu was je gelukkig maar een vriend
Misschien ontrouw geweest
Wat woorden in de wind
Nu was je gelukkig maar een vriend

We zijn het politiek oneens geweest
maar hadden meestal toch wel iets gemeen
Kinderen gebleven, blijven dromen, tot groot jolijt
van alle vrouwen die er ons in stilte om hebben benijd.

En, verbaasd, heb ik mijn wenkbrauw opgetrokken
bij het zien van je ideale vrouw,
En gedacht dat er toch nog een kantje was
dat je voor mij verbergen wou